Thema: ADHD-zorg • Balans • 11 januari 2020

‘ADHD staat toch bekend als een aanstellersdiagnose…’

‘ “Wat maakt het eigenlijk uit wat hij heeft?”, zei de psychiater. “Jan zit nu toch op het speciaal onderwijs?” Ik schrok daarvan. Ik ben iemand die de naad van de kous wil weten.’ BM-columnist Francine Postma over het belang van het stellen van een diagnose. Artikel uit het thema-dossier ‘Waar staan we in Nederland met de ADHD-zorg in 2020?’

Interview: Mariëlle van Bussel

Ooit droomde ze van een Sound of Music-gezin. Maar het leven liep anders voor Francine Postma (47). Haar zoon Jan (9) heeft ADHD en Coen (13) ASS. Ze hebben allebei een ‘andernis’, zoals zij het thuis benoemen. In plaats van zingend over een alpenweide te dansen, kampt Francine met onzekerheid en eenzaamheid.

 

Francine: ‘Op zijn vierde kreeg Jan steeds vaker last van buik- en hoofdpijn. Hij werd snel boos en was vaak verdrietig. We dachten dat het door de thuissituatie kwam. Zijn vier jaar oudere broer Coen heeft autisme. We hadden onze handen vol aan hem. Hij schopte, sloeg of gooide met stoelen. Ook voor Jan was hij soms bedreigend. Coen behandelde Jan als zijn gelijke en zag niet in dat zijn broertje bijna vier jaar jonger was. Toen we steeds vaker werden gebeld door school met het verzoek Jan op te komen halen, realiseerden we ons dat er ook met Jan iets aan de hand was. Hij kon het op school niet volhouden. Dat uitte zich in fysieke klachten, tot overgeven toe. Thuis ontplofte hij dan, alle stress kwam eruit. Coen zat inmiddels op het speciaal onderwijs en kreeg daar alles wat hij nodig had: rust, aandacht en structuur. Ik vond het heftig om te zien dat Jan doodongelukkig was op een reguliere school, terwijl hij óók meer nodig had.

 

Curlingmoeder

De juf op school wuifde onze zorgen weg. Want Jan was geen ongeleid projectiel dat het voor de hele klas verpestte. Er zijn zoveel kinderen die druk zijn of zich niet kunnen concentreren, zei ze dan. Ik werd er onzeker van, ik wilde niet bestempeld worden als een ‘curlingmoeder’, zo’n moeder die alle obstakels voor haar kind uit de weg veegt. Toen ben ik naar een psychiater gestapt. Ik was radeloos, iemand moest me zeggen wat er aan de hand was. Ik vergeet dat bezoek nooit meer. ‘U hebt twee psychiatrische kinderen,’ zei ze vrij snel. Dat was een klap in mijn gezicht, maar tegelijkertijd ook een opluchting. Ik was dus niet gek. En dus ging ook Jan toen naar het speciaal onderwijs.

Toen we Jan daarna wilden laten onderzoeken, wilde de volgende psychiater daar niet in mee. Het zou te veel tijd kosten. Ze gaf het een werkhypothese: ADHD/ASS. En voegde daaraan toe: ‘Wat maakt het eigenlijk uit wat hij heeft? Jan zit nu toch op het speciaal onderwijs?’

Ik schrok daarvan. Zulke opmerkingen verwachtte ik te horen op een verjaardagsfeestje. Ik ben iemand die de naad van de kous wil weten. Zelf heb ik op latere leeftijd de classificatie ADD gekregen. Ik weet als geen ander dat het ontzettend veel helpt om te weten wat er precies aan de hand is, zodat je je eigen gedrag beter kunt plaatsen.

 

Hoofd op pootjes

Jan is nu negen jaar en nog steeds zijn we niet verder dan de werkhypothese. Zelf hebben we er ADHD van gemaakt, omdat hij veel meer kenmerken vertoont van ADHD dan van ASS. Hij is chaotisch, rommelig en snel afgeleid. Eigenlijk kan hij zich alleen focussen met behulp van een externe prikkel, zoals een luisterboek. Ook dan pas kan hij ontspannen. Eigenlijk staat hij de hele dag aan. Een hoofd op pootjes, zegt zijn begeleidster weleens. Er is nauwelijks contact met zijn lichaam. Ik merk dat de omgeving anders reageert op ADHD dan op autisme. ADHD staat toch een beetje bekend als een aanstellersdiagnose… Geef hem maar een tijdje mee met mij. Of pak hem eens harder aan. Dat soort opmerkingen heb ik regelmatig gehoord. Als moeder word ik daar ontzettend onzeker van. Heb ik het dan bedacht om aandacht te trekken? Nog steeds is het mijn grootste angst dat mensen denken dat ik alles heb verzonnen. Ik voel vaak geen aansluiting met ouders van ‘gewone’ kinderen. Wat zij gewoon vinden, lukt ons niet. Een etentje in een restaurant, een dagje Efteling of met een paar stellen en kinderen in een huisje? Het is of ondenkbaar, of het kost zoveel voorbereiding dat het vooral heel veel energie kost.

 

Eenzaam

Rondom de classificatie van Coen en later die werk-hypothese van Jan heb ik een lichte depressie gehad. Ik vond het erg zwaar dat alles zoveel moeite kostte. Toen ik aan kinderen begon, had ik een plaatje in mijn hoofd van een Sound of Music-gezin dat zingend en dansend door het leven zou gaan. Door schade en schande heb ik afscheid moeten nemen van die idealen.

Twee jaar geleden ben ik een pelgrimstocht gaan lopen van zes weken. Ik wilde even klaar zijn met het geregel thuis. Met de drukte van twee jongens die elkaar ook nog eens regelmatig in de haren vliegen. Ik had het hard nodig om tot mezelf te komen. Maar hoe heftig was het om weer thuis te komen? Na drie dagen zat ik alweer aan mijn taks. Het voelde alsof ik na die lange stilte weer de loopgraven in moest. Dat kwam hard aan, welcome to reality.

De impact van twee jongens met een andernis – zo noemen we het – op mijn persoonlijke leven is best groot. Ik ben minder gaan werken, omdat naschoolse opvang er niet in zit. Daardoor hebben we het financieel niet breed. Omdat de jongens met een busje naar school gaan, kom ik niet meer op het schoolplein. Als thuiswerker heb ik dus weinig sociale contacten. Soms voel ik me best eenzaam. Lotgenotencontact op Facebook helpt, en met het bloggen over mijn ervaringen verwerk ik het een en ander.

Ook probeer ik meer rust te nemen. Mindfulness, meditatie, wandelen met de hond. Het helpt een beetje, maar ik blijf kwetsbaar. Als ik me niet op tijd terugtrek uit het gezin, val ik om. Als ik wakker word, lig ik even lekker, totdat de eerste wakker wordt. Vanaf dat moment heb ik het gevoel dat ik me als een sergeant moet melden. Jan moeten we overal bij begeleiden. Van het ontbijt tot het tandenpoetsen en zijn jas aan doen. Elke dag weer. Gelukkig zitten er ook positieve kanten aan een andernis. Beide jongens zijn creatief, taalvaardig en hebben veel humor. Ons leven is nooit saai!’