Interview • Balans • 7 januari 2020

‘De problematiek gaat verder dan alleen de taal’

Constance Vissers is bijzonder hoogleraar taalontwikkelingsstoornissen aan de Radboud Universiteit. ‘We weten dat kinderen met TOS vaak ook moeite hebben zichzelf aan te sturen en met het begrijpen van hun gevoelens en gedachten. De problematiek gaat dus verder dan alleen de taal.’

Interview: Renate van der Zee

Kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS) hebben vaak ook andere cognitieve stoornissen en gedragsproblemen. Constance Vissers verdiept zich in die complexe problematiek. Ze is als klinisch neuropsycholoog verbonden aan de Kentalis Academie en werd vorig jaar bijzonder hoogleraar taalontwikkelingsstoornissen aan de Radboud Universiteit. ‘Ik durf te stellen dat die bijkomende problemen bij veel kinderen deel uitmaken van de taalontwikkelingsstoornis. Dat het één complex is.’

 

Een kind met een taalontwikkelingsstoornis heeft grote moeite met praten en het begrijpen van taal. U kijkt door een neuropsychologische bril naar deze problematiek. Waar komt dat precies op neer?

‘Ik houd me bezig met het ontrafelen van taalontwikkelingsstoornissen. Maar ook met het begrijpen van de sociaal-emotionele problemen en de leerproblemen van de kinderen die zo’n stoornis hebben, en met hun beperkte communicatieve redzaamheid. Dat doe ik op twee manieren, ten eerste door neuropsychologische tests, dus door te kijken naar het functioneren van de hersenen in relatie tot gedrag. Maar ik kijk ook hoe effectief nieuwe behandelmethodes zijn. De problematiek van kinderen met TOS is complex, want het blijft vaak niet alleen bij taalproblemen. We weten dat deze kinderen vaak ook moeite hebben zichzelf aan te sturen en met het begrijpen van hun gevoelens en gedachten. De problematiek gaat dus verder dan alleen de taal. Ik probeer de relatie tussen het functioneren van de hersenen, de cognitieve functies en het gedrag van het kind te doorgronden. Want we denken dat als we de relatie tussen die drie niveaus beter snappen, we maatwerk kunnen leveren in diagnostiek en behandeling. En dat is waar ik me op richt: op het ontwikkelen van maatwerk in de diagnostiek en behandeling van kinderen met taalontwikkelingsstoornissen en de daarmee samenhangende andere cognitieve stoornissen en gedragsproblemen. Ik durf te stellen dat die bijkomende problemen deel uitmaken van de TOS. Dat het één complex is van taalstoornissen, cognitieve stoornissen en sociaal-emotionele problemen.’

 

Kunt u iets meer vertellen over de bijkomende problematiek bij kinderen met TOS?

‘Ze zijn vaak makkelijk afgeleid en hebben moeite hun emoties te reguleren, wat zich kan uiten in boosheid maar ook in angst. Vaak hebben ze moeite met veranderingen en onverwachte gebeurtenissen en het nemen van initiatief. Het vermogen om hun eigen gedachten en gevoelens en die van anderen te begrijpen, is ook vaak verstoord. In mijn onderzoek speelt ‘innerlijke taal’ een centrale rol. Innerlijke taal is de persoonlijke ervaring van taal zonder dat je hardop praat. In jezelf praten dus. Niet alleen kinderen, maar ook volwassenen praten best veel in zichzelf: twintig tot dertig procent van de tijd dat ze praten. Mensen praten in zichzelf om overzicht te houden, evenwicht te vinden, te plannen, problemen op te lossen, te reflecteren en te evalueren. Die zogenoemde innerlijke taal is het resultaat van een ontwikkelingsproces waarbij we taal-interactie met mensen om ons heen verinnerlijken tot een dialoog met onszelf. Doordat het kind de taal van de ouder leert, lukt het hem steeds beter zichzelf te sturen en te begrijpen. De sturing door de ouder maakt dan plaats voor zelfsturing, met behulp van innerlijke taal. Die innerlijke taal is dus belangrijk voor het sociale en emotionele functioneren van het kind. Innerlijke taal is een toegangspoort tot onszelf. Het ondersteunt het sturen van onszelf, maar ook het denken over en het begrijpen van onszelf. Maar kinderen met TOS zijn minder goed in staat met zichzelf te praten. Wij denken dat de taalstoornissen van kinderen met TOS niet alleen grote invloed hebben op hoe ze communiceren met anderen, maar ook op hoe ze met zichzelf communiceren.’

 

Zo’n taalstoornis heeft dus verstrekkende gevolgen. Wat is de beste aanpak van die problematiek?

‘Dat weten we nog niet zo goed en daarom doen we daar onderzoek naar. We willen gaan kijken of we die innerlijke taalontwikkeling kunnen stimuleren. In de hoop dat kinderen dan beter worden in het reguleren en aansturen van zichzelf. Er gebeurt op het moment van alles als het gaat om de aanpak van TOS. Er wordt vaak veel aandacht besteed aan de talige ontwikkeling van het kind. Dat is natuurlijk superbelangrijk. Maar ik denk dat er meer nodig is en daar gaat mijn onderzoek over.’

 

Is er veel variatie in de taalontwikkelingsstoornissen die u bij kinderen ziet?

‘Ja. TOS vormt echt een uitgebreid palet aan stoornissen en problemen. Er zijn tal van uitingsvormen. Bij sommige kinderen staat de taalstoornis echt op de voorgrond. Ze hebben vooral moeite met het produceren en begrijpen van taal. Maar bij andere kinderen is de gedragsproblematiek duidelijker aanwezig, omdat ze zichzelf vanwege hun taalstoornis niet kunnen reguleren. Ze kunnen zich niet goed uitdrukken, en worden daarom sneller boos of gefrustreerd. Bovendien heeft het ontwikkelingsstadium waarin een kind zich bevindt ook grote invloed op hoe de TOS eruitziet. Naarmate het kind ouder wordt, worden stoornissen in zelfregulatie steeds zichtbaarder en belemmeren ze het functioneren ook steeds meer. Bepaalde stoornissen worden steeds meer belemmerend naarmate het kind opgroeit.’

 

Als het gaat om het behandelen van ontwikkelingsstoornissen weten we dat het belangrijk is om er vroeg bij te zijn. Hoe zit dat bij TOS?

‘Vroegdiagnose is bij TOS moeilijk. De taalontwikkeling loopt bij jonge kinderen erg uiteen. Dat een kind laat is met praten, wil niet meteen zeggen dat er sprake is van TOS. TOS ontwikkelt zich al in de vroege kindertijd, maar het is moeilijk om het bij jonge kinderen al in kaart te brengen. Terwijl het wel heel belangrijk is. Want hoe vroeger je die TOS kunt vaststellen, des te vroeger je kunt beginnen met behandelen. We weten dat ook de ontwikkeling van de executieve functies vroeg begint. En we weten ook dat kinderen met TOS daar al jong problemen mee hebben. Het is waarschijnlijk dat taalstoornissen aan de ene kant en executieve stoornissen aan de andere kant vanaf de zeer vroege kindertijd al op elkaar van invloed zijn. Maar we weten nog niet goed hoe dit samenspel eruitziet en hoe het zich ontwikkelt. Om zicht te krijgen op dat samenspel doen we nu onderzoek waarin we kinderen met TOS lange tijd volgen om kleine stapjes in de ontwikkeling op het gebied van taal en executieve functies te monitoren vanaf de peutertijd tot in de volwassenheid.

Ik doe nu ook samen met onder anderen psycholoog Lidy Smit onderzoek naar een behandeling van jongeren met TOS. We trainen daarbij hun vermogen om zichzelf en anderen te begrijpen. Daarbij kijken we of en hoe dat de taalontwikkeling beïnvloedt. We kijken ook naar de effecten van deze training op de sociaal-emotionele
ontwikkeling van deze jongeren.’

 

Wat voor training is dat precies?

‘Het is een behandeling die ik samen met klinisch psycholoog Marijcke Honée heb ontwikkeld voor volwassenen met autisme en daar hebben we heel goede resultaten mee geboekt. We passen hem nu toe op jongeren met TOS. Het is een groepsbehandeling. Hij bestaat uit allemaal oefeningen en gesprekken die erop zijn gericht de jongere bewuster te maken van zijn eigen binnenwereld én van de binnenwereld van anderen. We doen dat bijvoorbeeld door samen te zoeken naar woorden voor gevoelens, maar ook door te oefenen in het elkaar bevragen over elkaars gedachten en gevoelens. Daarnaast zetten we verschillende perspectieven op een bepaalde situatie naast elkaar en laten de jongeren zo zien: je kunt op verschillende manieren kijken naar hetzelfde. Zo proberen we het bewustzijn van gedachten en gevoelens te vergroten en de jongeren ook flexibeler te maken. We hebben net de eerste resultaten binnen en het lijkt erop dat deze jongeren in sociaal-emotioneel opzicht echt evenwichtiger zijn nadat ze die behandeling hebben gehad. Dat is hoopgevend. Als het gaat om het kijken naar TOS door een neuropsychologische bril, is het echt pionierswerk wat ik doe. Het is belangrijk om de ideeën die we hebben kritisch te toetsen. TOS is een complex thema, dat maakt onderzoek moeilijk, maar ook heel spannend en belangrijk.’

 

Wat is TOS

Taalontwikkelingsstoornissen (TOS) zijn relatief onbekend in onze samenleving. Toch heeft vijf procent van de bevolking ermee te maken. In de hersenen van mensen met TOS lopen verbindingen tussen hersengebieden anders. Daardoor wordt taal minder goed verwerkt.
De taalstoornis staat op zichzelf en is dus geen gevolg van een verstandelijke beperking of onvoldoende taalaanbod. Een taalontwikkelingsstoornis is een onzichtbare beperking die soms kan leiden tot onbegrip. Daarbij is een taalontwikkelingsstoornis moeilijk uit te leggen. TOS wordt vaak verward met dyslexie, stotteren, een algemene taalachterstand of een autismespectrumstoornis (ASS). In 2014 is de term ernstige spraak- en taalmoeilijkheden (ESM) officieel vervangen door de term taalontwikkelingsstoornis (TOS).