Thema: Evaluatie jeugdzorg • Balans • 19 april 2019

Jeugdzorg zélf is een zorgenkind

‘Snellere zorg, dichter bij huis en met een meer integrale aanpak’. Dat was de bedoeling van de grote stelselwijziging van de jeugdzorg in 2015. De praktijk pakt tot nu toe anders uit. Balans Magazine maakte een analyse en kwam tot twaalf ‘pijnpunten’.

Interview: Beatrice Keunen

In januari 2015 werd de landelijke stelselwijziging doorgevoerd waarbij de zorg voor destijds 350.000 kwetsbare kinderen en jongeren in Nederland werd gedecentraliseerd van de rijksoverheid naar de 355 gemeenten. Lees: de verantwoordelijkheid voor jeugdzorg – voor 0 – tot 23-jarigen met specifieke zorgbehoeften – werd gelegd bij gemeentelijke overheden. Met als doel: snellere zorg, dichter bij huis en met een meer integrale aanpak. Hoe staat het daarmee in april 2019?

 

Gezien de snelheid van invoering – het eerste pijnpunt – konden de gemeenten zich onvoldoende voorbereiden op deze ingrijpende en gevoelige taakverzwaring. Ingrijpend, omdat het een herinrichting van interne en externe logistieke processen betrof. Gevoelig, omdat de decentralisatie kwetsbare kinderen en gezinnen binnen haar gemeentegrenzen aangaat; dit vraagt om expertise die, vooralsnog, veelal ontbreekt.

Denemarken werd als voorbeeld aangehaald. Daar is eenzelfde decentralisatie jaren eerder al tot stand gebracht. Grootste verschil met Nederland is, dat de Nederlandse decentralisatie een bezuiniging van 450 miljoen moest opleveren – het tweede pijnpunt – terwijl de stelselwijziging in Denemarken op korte termijn gepaard ging met extra financiering. Die betaalde zich op lange termijn terug, juist door goede jeugdzorg voor de kinderen, jongeren en gezinnen.

 

Financiële tekorten

Door de decentralisatie kregen gemeenten, al dan niet via de wijkteams, de afgelopen jaren een bulk aan informatie over haar inwoners. Die kregen op hun beurt – het derde pijnpunt – soms ook te maken met onvoldoende bescherming van privacygevoelige informatie. De gemeenten moesten de professionele hulp gaan financieren en daardoor contracten en betalingsovereenkomsten aangaan met professionele zorg-instanties – die dat op hun beurt met de gemeenten moesten gaan doen. Hoe lager de tarieven en hoe goedkoper de afspraken – het vierde pijnpunt – hoe gunstiger voor de gemeentelijke portemonnee. Maar dat hield in dat niet altijd de meest gunstige optie voor de cliënt werd gekozen. In vele gevallen moesten zij  overstappen naar andere zorgaanbieders (praktijken, instellingen), waarmee plotsklaps een punt werd gezet achter jarenlang opgebouwde vertrouwensrelaties – het vijfde pijnpunt.

In feite blijken ook de financiële tekorten zelf te zijn gedecentraliseerd van de Rijksoverheid naar de gemeenten – die nu, net als vele zorginstellingen, kampen met financiële problemen. In de media duiken wekelijks namen op van gemeenten met resp. begrotingstekorten (door stijgende zorgkosten) of (dreiging van) faillissement bij zorginstellingen – een zesde pijnpunt. Ook zijn er grote personeelsproblemen: er is veel verzuim door grote werkdruk en krapte op de arbeidsmarkt- het zevende pijnpunt. Volgens een woordvoerder van het ministerie van VWS, verantwoordelijk voor jeugdzorg, is om die financiële problematiek een zogenaamd Tekortfonds van 200 miljoen euro ingericht om gemeenten met grote tekorten tegemoet te komen. De woordvoerder: ‘Voor de vernieuwing van de jeugdzorg is 108 miljoen beschikbaar (afspraak regeerakkoord). Daarnaast nemen tot 2022 de Rijksuitgaven aan gemeenten met zo’n vijf miljard toe. Niet allemaal voor jeugdzorg natuurlijk, er zijn meer onderwerpen die belangrijk zijn, maar voor gemeenten betekent dit dat er de komende periode veel meer financiële ruimte is.’

 

Wachtlijsten

Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kregen er in de eerste helft van 2018 11.000 kinderen minder jeugdzorg (337.000 in totaal). Ondanks dat blijken de wijkteams meer jeugdzorgproblematiek op te merken. Daarbij hebben jongeren – zo wordt verondersteld – meer problemen dan vroeger, en worden ze eerder in behandeling genomen. Gevolg, achtste pijnpunt: de wachtlijsten groeien, waardoor kinderen en jongvolwassenen niet tijdig en onvoldoende passende hulp kunnen krijgen. Omdat steeds moet worden geanticipeerd op de consequenties die de decentralisatie in de praktijk met zich meebrengt, duurt de invoering van deze landelijke stelselwijziging uiteindelijk langer voort dan gehoopt – het negende pijnpunt. En komen ook almaar vragen met betrekking tot zorgverlening naar voren, waar het de rechtsbescherming van het kind aangaat – het tiende pijnpunt. Bijvoorbeeld waar het drang- en dwangmaatregelen aangaat, of opname binnen de gesloten jeugdzorg. Bij het (negatieve) effect van deze vorm van zorg worden overigens de laatste tijd grotere vraagtekens geplaatst.

De conclusie kan niet anders zijn – uit onderzoek via diverse instanties (zie bronnen) en uit de artikelen in dit dossier: jeugdzorg zélf is een zorgenkind – algeheel pijnpunt. En wel voor álle betrokken partners. Voor de Rijksoverheid, voor de gemeenten, voor de zorgprofessionals vanuit uiteenlopende functies – maar bovenal voor de cliënten: kinderen en jongvolwassenen met zorgproblematiek.

 

Wat nu te doen?

In het interview met Ido Weijers (‘In ons land doet zich feitelijke rechtsongelijkheid voor’) valt de naam Noorwegen. Om versnippering van zorg tegen te gaan, zodat niet meer de regio waar je woont bepaalt of je goede zorg krijgt – elfde pijnpunt – koos dit land juist voor het centraliseren van de jeugdzorg bij de Rijksoverheid. Weijers: ‘Om in het hele land passende en gelijkwaardige zorg van hoge kwaliteit te garanderen aan kinderen, jongeren en gezinnen die hulp en ondersteuning nodig hebben.’ Dit Noorse model kan de toets van het Kinderrechtenverdrag uit 1989 van de VN doorstaan. Vraag is of dat ook voor de Nederlandse interpretatie van zorg aan haar jeugd geldt. Twaalfde pijnpunt?

Bronnen: Binnenlands Bestuur; NOS; GGZ Nieuws; Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ); Jeugdzorg Nederland; Nederlands Jeugd Instituut (NJI); Balansdigitaal.nl; Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG).

 

Verschil jeugdzorg en jeugdhulp

Het CBS hanteert het begrip jeugdzorg als verzamelnaam voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering.

  • Jeugdhulp wordt gegeven aan jongeren en hun ouders bij psychische, psychosociale en/of gedragsproblemen, een verstandelijke beperking of bij opvoedingsproblemen.
  • Jeugdbescherming is een maatregel die de rechter dwingend oplegt als de veiligheid en ontwikkeling van een kind in het geding zijn. Het kind wordt dan onder toezicht gesteld of onder voogdij geplaatst.
  • Jeugdreclassering is bedoeld voor jongeren vanaf twaalf jaar die met de politie in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen. Jeugdreclassering wordt opgelegd door de kinderrechter of de officier van Justitie.

Bron: CBS

 

Reactie van het ministerie van VWS

Naar aanleiding van deze twaalf punten legde de redactie van Balans Magazine de volgende vragen voor aan minister Hugo de Jonge, vanuit VWS verantwoordelijk voor jeugdzorg: Hoe kijkt de minister aan tegen het huidige functioneren van de jeugdzorg in Nederland? Hoe kijkt hij aan tegen de organisatie ervan? Duurt deze stelselwijziging – deze decentralisatie van jeugdzorg naar de gemeenten – langer dan verwacht? Waardoor komt dat? Wat moet er beter en hoe wil hij dat bereiken: kortom zijn puntenlijst.

Zijn woordvoerder reageert: ‘Het is onze opdracht – en dan bedoel ik jeugdhulporganisaties, gemeenten en Rijk – dat we de zorg voor de jeugd en hun ouders merkbaar, voelbaar en tastbaar beter maken. Dat betekent dat de zorg en ondersteuning zoveel mogelijk dichtbij huis plaatsvindt. Dat betekent dat we kinderen en hun ouders bij de hand nemen en niet laten verzanden in hun zoektocht naar de juiste zorg. Dat betekent dat we met jongeren vroegtijdig in gesprek moeten over de zorg na hun achttiende jaar. Dat betekent dat instellingen helder over hun wachttijden communiceren. Kortom: de zorg moet aansluiten bij wat kinderen en ouders nodig hebben. Als zij dat niet merken, dan doen we iets niet goed met z’n allen. Dit alles is natuurlijk niet binnen een dag geregeld. Daarmee zouden we ook geen recht doen aan het fantastische werk dat door professionals dag in, dag uit wordt gedaan. Laten we daar ook oog voor hebben: neem bijvoorbeeld de samenwerking tussen de jeugdhulp en de (jeugd)ggz. Spirit/Bascule in Amsterdam is daar een mooi voorbeeld van. Neem bijvoorbeeld de KINGS methode bij Accare waardoor vele uithuisplaatsingen zijn voorkomen. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden. Tegelijkertijd liggen er de nodige uitdagingen. Dat zien wij ook. Samen met kinderen, ouders, gemeenten, aanbieders en jeugdprofessionals is de minister daarmee hard aan de slag.’