Interview • Balans • 19 september 2017

‘Ik was het domste jongetje van de klas’

LEON BIEZEMAN

Léon Biezeman heeft dyslexie en is schrijver van zes boeken over dat onderwerp. 'Ik ben heel blij met mijn laatste boek: ‘Appzurt’. Dat boek heeft me veel denkwerk gekost, omdat ik alle kennis die ik over dyslexie had verzameld, zo wilde opschrijven dat kinderen het ook zouden begrijpen.’

Tekst: Renate van der Zee

Léon Biezeman houdt op Werelddyslexiedag (6 oktober) bij Balans een lezing voor ouders en kinderen met dyslexie. Hij is schrijver van zes boeken over dat onderwerp en zelf dyslectisch. Zijn laatste boek, ‘Appzurt’, schreef Biezeman speciaal voor jongeren. ‘Soms is bijles of remedial teaching nodig, maar vergeet nooit dat het kinderen zijn.’

‘Dom. Zo noemde de meester op school mij. Het was in de derde klas van de lagere school en ik schreef mijn naam helemaal verkeerd. De meester vond dat ongelooflijk dom en gaf me daar echt voor op mijn donder. Dat vergeet je als kind nooit meer. Ik moest naar voren komen om mijn naam op het bord te schrijven om te laten zien dat ik het wél kon. Maar ik deed het dus weer fout. De ‘m’ schreef ik met vier poten, de ‘n’ met drie en ik maakte ook nog een paar spelfouten. Daar werd de leraar heel boos over. Hij dacht dat ik hem voor de gek hield. Toen moest ik voor straf tien bladzijden volschrijven met mijn naam. Ik heb mijn naam daarna nóóóóit meer fout geschreven.’

 

Uw zelfvertrouwen moet toen een fikse knauw hebben gekregen.

‘Aan de ene kant wel en aan de andere kant dacht ik gewoon: oké, ik ben dus dom. Ik kan niet schrijven maar ik kan wel buitenspelen, dat is ook leuk. Mijn schoolkameraadje en ik waren de twee domste jongetjes van de klas en dat vonden wij normaal. We hadden genoeg zelfvertrouwen om dat te accepteren. We zijn trouwens wel als enige jongens uit de klas hoger opgeleid.’

 

Wanneer kwam u erachter dat u dyslexie had?

‘Er was indertijd veel minder bekend over dyslexie. Dus die diagnose is pas op mijn 24ste gesteld, toen ik naar de universiteit wilde om orthopedagogiek te studeren. Ik heb een test gedaan waaruit naar voren kwam dat ik pure dyslexie had. Op begrijpend lezen scoorde ik heel hoog, maar wat spelling betreft had ik het niveau van een tienjarig kind.’

 

Was die diagnose een opluchting?

‘Niet echt. Ik wist het eigenlijk wel, al bleef dyslexie lange tijd een vaag begrip voor me. Ik wist: ik kan niet foutloos schrijven en als ik iets lees, sla ik stukken over. Dus als ik iets moet instuderen, dan moet ik daar rekening mee houden en desnoods vragen: hoe pak ik dit aan?

Maar zelfs op de universiteit kreeg ik te maken met docenten die mij niet serieus namen omdat ik fouten maakte bij het schrijven. Uiteindelijk kwam ik uit bij professor Wied Ruyssenaars, een deskundige op het gebied van dyslexie. Die begreep mij. Hij zorgde ervoor dat ik de aanpassingen kreeg die ik nodig had. Dat ik tijdens tentamens apart mocht zitten, meer tijd kreeg en dingen eventueel mondeling in plaats van schriftelijk mocht doen.’

 

In 1998 verscheen uw boek: ‘Ruimte voor dyslexie’, een autobiografisch boek over dyslexie. Best bijzonder voor een dyslecticus om een boek te willen schrijven.

‘Ik heb schrijven altijd leuk gevonden. Ik schrijf van kinds af aan al. Ik heb bovendien een moeder die schrijfster is, ze schrijft over stervensbegeleiding en rouwverwerking. Toen ik met het idee speelde voor een autobiografie over dyslexie, discussieerden mijn moeder en ik erover: wie van ons gaat dat boek schrijven? Want mijn moeder is ook dyslectisch. Van haar heb ik zowel het schrijverschap als de dyslexie.’

 

Er kwamen daarna nog vijf andere boeken over leren en schrijven met dyslexie. Op welk boek kijkt u met het meeste plezier terug?

‘Schrijven met dyslexie was bijzonder omdat ruim tachtig dyslectische kinderen daaraan hebben meegewerkt. Ik vind het belangrijk om kinderen de boodschap mee te geven: ook als je dyslexie hebt, kun je schrijven, je kunt het alleen niet foutloos.  Ik ben ook heel blij met mijn laatste boek: ‘Appzurt’. Dat boek heeft me veel denkwerk gekost, omdat ik alle kennis die ik over dyslexie had verzameld, zo wilde opschrijven dat kinderen het ook zouden begrijpen.’

 

Worden kinderen met dyslexie tegenwoordig genoeg ondersteund?

‘Je moet als kind geluk hebben met je school. Op sommige scholen wordt veel gedaan, maar op andere scholen gaat het toch mis met deze kinderen. Leerkrachten worden af en toe ook overvraagd: ze moeten iets afweten van ADHD, maar ook van autisme, dyscalculie en ook nog eens dyslexie. Dat gaat niet altijd goed. En voordat je doorhebt dat er sprake is van dyslexie, is het kind vaak al acht en wordt het moeilijk hem over te plaatsen naar een andere school en hem weg te halen bij zijn vriendjes.’

 

Wat zou u ouders van dyslectische kinderen willen meegeven?

‘Vergeet nooit dat het om kinderen gaat. Ik kan me nog heel goed herinneren dat ik op woensdagmiddag, terwijl al mijn vriendjes
lekker buiten gingen spelen, naar bijles moest om mijn Nederlands bij te schaven. Dat was niet leuk. Het is altijd zoeken naar een balans. Soms is bijles of remedial teaching nodig, maar vergeet niet dat kinderen met dyslexie ook gewoon willen spelen. Ze willen net als alle andere kinderen zijn.’