Scroll Top

Ontstaan en beloop

Er kunnen veel oorzaken zijn voor het ontstaan van bepaald gedrag en het ontstaan van kenmerken van ADHD. Lees hierover meer op de pagina ‘Wat zit er achter moeilijk gedrag’.

Veel mensen denken dat ADHD een hersenstoornis is, maar dit is achterhaald. De verschillen tussen de hersenen van kinderen met en zonder ADHD zijn klein. Ook worden ze alleen op groepsniveau gevonden en gelden deze verschillen dus niet voor ieder kind.
ADHD ontstaat door een combinatie van aanleg (erfelijkheid/‘het zit in de familie’) en omgevingsfactoren. Kinderen met ADHD hebben ten eerste een bepaalde aanleg voor ADHD die ze meekrijgen bij de geboorte. ADHD “zit vaak in de familie”. Dit betekent dat kinderen die ADHD hebben vaak ook een ouder en/of broertje of zusje met ADHD hebben. Het kan ook zijn dat omstandigheden tijdens de ontwikkeling een rol spelen, zoals vroeggeboorte of een moeder die veel stress had tijdens de zwangerschap.
Ten tweede heeft de omgeving invloed op het gedrag van kinderen. Stel een kind heeft aanleg voor het ontwikkelen van ADHD, bijvoorbeeld doordat deze aanleg is overgegeven van ouder op kind. Als de ouders van een kind goed weten wat het kind nodig heeft en bijvoorbeeld veel positieve aandacht en structuur geven, dan kan het zijn dat een kind geen ADHD-gedrag laat zien, ondanks de aanleg. Of als dit kind in een rustige klas zit met veel structuur, kan het ook zijn dat het kind geen ADHD-gedrag laat zien, ondanks de aanleg. Het kan daarom ook zo zijn dat het kind in de ene omgeving wel ADHD-gedrag laat zien en in de andere omgeving niet. Als een kind bijvoorbeeld in een klas zit met dertig kinderen, waarbij de leerkracht het kind veel negatieve feedback geeft, kan het zijn dat het kind daar wel ADHD-gedrag laat zien. En als het kind thuis veel structuur en positieve aandacht krijgt, kan het zijn dat hetzelfde kind daar geen ADHD-gedrag laat zien. Dit betekent dus dat je door de omgeving te veranderen, het ADHD-gedrag ook kan veranderen. Dit betekent absoluut NIET dat ADHD-gedrag ontstaat door slechte opvoeding. Het betekent simpelweg dat het kind meer nodig heeft dan een kind zonder aanleg voor ADHD. En omdat een kind dit zelf vaak niet kan oplossen, heeft hij of zij daar hulp van bijvoorbeeld de ouder of leerkracht voor nodig.
Daarnaast zijn er een aantal zaken waar kinderen met ADHD-beperkingen in kunnen ervaren. Dit zijn:

1. Regelfuncties (Executieve functies). Regelfuncties zijn functies die te maken hebben met het aansturen en plannen van gedrag. Bij veel kinderen met ADHD zijn met name twee van deze functies beperkt. Ten eerste is dat werkgeheugen, ofwel hoeveel informatie je vast kunt houden in je hoofd. Stel een kind is bezig met een rekentaak en krijgt vervolgens instructies om rekenspullen op te ruimen en met broodtrommel in de kring te gaan zitten. Dat is veel informatie tegelijk en er moet ook nog iets mee gedaan worden. Dit kan lastig zijn voor kinderen met ADHD. Ten tweede is dat inhibitie, wat het remmen van gedrag inhoudt. Remmen van gedrag is bijvoorbeeld nodig als de leerkracht een vraag stelt, waarop je het antwoord weet, en je dit niet door de klas mag roepen maar eerst je vinger moet opsteken. Wil je hier meer over weten? Zie dit webinar

2. Beloningsgevoeligheid. Kinderen met ADHD hebben vaak een hogere beloning nodig om hetzelfde “beloningsgevoel” te bereiken dan kinderen zonder ADHD. Daarnaast hebben veel kinderen met ADHD liever dat een beloning meteen komt, in plaats van pas later. In de praktijk betekent dit dat het goed werkt om kinderen direct te belonen na gedrag wat je graag ziet; bijvoorbeeld met een compliment of een sticker. Het werkt minder goed om een kind pas te belonen na langere tijd, of nadat een kind iets vaker goed heeft gedaan.
3. Timing problemen. Kinderen met ADHD vinden het vaak lastiger om tijd in te schatten en bij te houden. Ook lijkt het voor kinderen met ADHD vaak of er meer tijd voor bij is gegaan dan er eigenlijk is. Om kinderen hiermee te helpen zou het bieden van structuur in tijd kunnen helpen, door bijvoorbeeld een timer aan te zetten.
De meeste kinderen laten beperkingen zien in één van deze functies, al hebben 10 tot 25 procent van de kinderen met ADHD géén beperkingen op deze functies. Er zijn dus veel verschillen tussen kinderen met ADHD.
Een “speciale oorzaak” van ADHD is het leeftijdseffect. Hier wordt veel onderzoek naar gedaan. Het blijkt namelijk dat de jongste kinderen in een klas vaker de classificatie ADHD krijgen dan hun oudere klasgenootjes. Ook krijgen zij vaker ADHD-medicatie voorgeschreven. Een veel genoemde verklaring hiervoor is dat deze kinderen automatisch vergeleken worden met hun net iets oudere klasgenoten. Het feit dat zij iets minder ver zijn in hun ontwikkeling en dus wat ‘jonger’ gedrag vertonen, wordt dan wellicht onterecht beschreven als ADHD.
ADHD laat zich vaak al zien in de kindertijd maar dit hoeft niet. De kenmerken kunnen ook pas later in het leven duidelijker zichtbaar worden en tot problemen leiden. Bijvoorbeeld als een kind naar de middelbare school gaat en opeens zelf moet plannen. Het kan ook wisselen of een kind wel of geen ADHD-gedrag laat zien. Je kunt ADHD-gedrag zien als een kwetsbaarheid. Dat betekent dat het soms wel aanwezig is, bijvoorbeeld als er problemen zijn op school of thuis. En dat het soms niet aanwezig is, zoals bij een rustigere periode.
ADHD wordt vaker bij jongens dan bij meisjes vastgesteld.
ADHD komt bij drie tot vijf procent van de kinderen voor en bij twee tot drie procent van de volwassenen. Als kind staat het drukke gedrag meer op de voorgrond. Als puber en volwassene keert dit drukke gedrag zich vaak meer naar binnen. Iemand kan zich dan druk in het hoofd voelen of problemen hebben met concentratie en plannen/organiseren.
Privacyvoorkeuren
Wanneer u onze website bezoekt, kan deze informatie opslaan via uw browser van specifieke services, meestal in de vorm van cookies. Hier kunt u uw privacyvoorkeuren wijzigen. Let op dat het blokkeren van sommige soorten cookies van invloed kan zijn op uw ervaring op onze website en de diensten die wij aanbieden.