Scroll Top

Extra informatie bij artikel ‘We moeten elke hap naar binnen smeken’

 

De achtjarige jongste zoon van Rita eet zo eenzijdig dat hij de eetstoornis ARFID heeft ontwikkeld. Ook haar oudste zoon had ARFID. In Balans Magazine vertelt ze wat de impact van deze eetstoornis is en welke zware wissel dit trekt binnen het gezin. Hieronder lees je meer informatie over deze eetstoornis.

ARFID staat voor: Avoidant/Restrictive Food Intake Disorder (Vermijdende/Restrictieve Voedselinnamestoornis). Dat betekent dat er te weinig en/of zeer selectief wordt gegeten vanwege verminderde interesse in eten, overgevoeligheid voor de sensorische kenmerken van eten of vanwege zorgen over de (aversieve) gevolgen van het eten van bepaald voedsel. In Nederland zijn er naar schatting zo’n 150.000 kinderen en 130.000 volwassenen met ARFID.
Er is sprake van ARFID als het selectieve of restrictieve eten samenhangt met lichamelijke en/of psychosociale problemen. Het is dus niet zo dat iedereen die selectief of restrictief eet, ARFID heeft. Kinderen met ARFID kunnen erg volhardend zijn in hun voedselweigering. Ook kan de vermijding zich steeds verder gaan uitbreiden en zich richten op steeds meer voedingsproducten of situaties. Dit kan zelfs zó erg worden, dat sonde- of bijvoeding noodzakelijk is.

Een fase of een eetstoornis?

Eetproblemen komen vaak voor bij kinderen. Zo’n 25-45% van alle kinderen heeft een periode waarin hij of zij kieskeurig eet. In de meeste gevallen gaat dit na verloop van tijd vanzelf weer over. Bij sommige kinderen houdt dit moeilijke eetgedrag echter aan. Dit kan op den duur voor lichamelijke en/of psychosociale problemen zorgen. Het is dus belangrijk om erachter te komen of er sprake is van tijdelijke eetproblematiek of van de eetstoornis ARFID; niet elk kind dat een periode te weinig of eenzijdig eet, heeft namelijk ARFID.

Zorgelijk eetgedrag

Wanneer het om de eetstoornis ARFID gaat, is er sprake van zorgelijk eetgedrag dat langdurig aanhoudt. In dat geval wordt er lange tijd (soms jarenlang) zeer minimaal of selectief gegeten. Soms kan er een voorkeur ontstaan voor ongezonde producten, omdat deze over het algemeen qua structuur makkelijker te verdragen zijn dan bijvoorbeeld groenten en fruit. Hierdoor kan er overgewicht of zelfs obesitas ontstaan. Het is dus goed om in gedachten te houden dat, bij het vaststellen van de eetstoornis ARFID, het gewicht niet leidend is. In plaats daarvan moet er gekeken worden naar de voedingstekorten die naar verwachting zullen ontstaan, of al zijn ontstaan, ten gevolge van dit selectieve of restrictieve eetpatroon.

Nog veel onduidelijk

Om dit zorgelijke eetgedrag te kunnen vaststellen en te onderscheiden van andere eetproblemen, zijn er internationale afspraken gemaakt. Deze staan beschreven in het diagnostische handboek voor de psychiatrie, de DSM-5. Er bestaat echter nog veel onduidelijkheid over het diagnosticeren van ARFID. Om inzicht te krijgen in de ernst van deze eetproblematiek en de verschijningsvorm van ARFID vast te kunnen stellen, kan de PARDI (Pica, ARFID and Rumination Disorder Interview) worden ingezet, dat is een semigestructureerd interview, dat helder inzicht geeft in de ernst van de eetproblematiek.

Behandeling op maat

Op dit moment wordt ARFID nog vaak ondergediagnosticeerd, vanwege een gebrek aan kennis van ARFID bij zorgprofessionals. Dit kan leiden tot vertragingen in de diagnose en behandeling. Om ARFID te kunnen vaststellen is er eerst een uitgebreid onderzoek nodig. De eerste stap die hiervoor gezet kan worden, is naar de huisarts gaan. Omdat nog niet elke huis-, kinder- of jeugdarts weet wat ARFID is, is het verstandig dit zelf te benoemen en aan te dringen op hulp. Daarna volgt meestal een doorverwijzing naar een (kinder)arts, diëtist of psycholoog. In veel gevallen wordt er een bloedonderzoek afgenomen en zal er door een diëtist een beoordeling plaatsvinden van de voedselinname. (Let op: een goede uitslag van het bloedonderzoek betekent niet automatisch dat er géén sprake is van ARFID.)

Gedragstherapie en exposure therapie

Om ARFID te kunnen diagnosticeren, zal worden doorverwezen naar een zorgverlener met kennis van psychodiagnostiek. Dat zijn vaak psychologen, psychiaters, orthopedagogen of cognitief gedragstherapeutisch werkers. Zij kunnen aan de hand van de PARDI inzicht krijgen in de ernst van de eetproblematiek. Pas daarna kan er een behandeling op maat worden samengesteld. Deze behandeling is afhankelijk van het subtype waar diegene onder valt. Vaak is het raadzaam om eerst met bijvoeding te starten om de tekorten aan te vullen. Afhankelijk van de patiënt kan vervolgens een behandeling worden ingezet. In veel gevallen zal worden gekozen voor cognitieve gedragstherapie in combinatie met exposure therapie. Het kan ook zijn dat er eerst EMDR (vorm van traumatherapie) nodig is, voordat een behandeling kan starten.

Uitgebreide informatie over de eetstoornis ARFID, diagnostiek, behandelmethoden, tips, adviezen en ervaringsverhalen, zijn te vinden in het boek Arfid te lijf!

Mocht je deze eetproblemen herkennen en op zoek zijn naar meer informatie of lotgenotencontact, dan ben je van harte welkom in de besloten Facebookgroep van ‘ARFID te lijf’!

Rita Maris, ARFID-ambassadeur in Nederland, auteur van de boeken Over leven met ARFID, Thijs lust geen ijs en ARFID te lijf! en ervaringsdeskundige ouder.

Privacy Preferences
When you visit our website, it may store information through your browser from specific services, usually in form of cookies. Here you can change your privacy preferences. Please note that blocking some types of cookies may impact your experience on our website and the services we offer.