Scroll Top

‘Rekenangst is méér dan een ongemakkelijk gevoel’ 

TEKST MELANIE MODDERMAN

Waarom hebben zoveel kinderen angst voor rekenen en wiskunde? Wat is eigenlijk het verschil tussen rekenangst en faalangst? En hoe kun je als leerkracht of remedial teacher deze angst herkennen én aanpakken? In gesprek met dr. Brenda Jansen, ontwikkelingspsycholoog aan de Universiteit van Amsterdam, komt een complex maar urgent probleem aan het licht.

Rekenangst is geen kwestie van onwil of onvermogen, maar een hardnekkige belemmering die zelfs bij kinderen met een redelijke rekenbasis kan toeslaan. Juist daarom verdient dit onderwerp meer aandacht in zowel onderzoek als praktijk, zegt Brenda Jansen.

Rekenangst of wiskundeangst?

De begrippen worden vaak door elkaar gebruikt, vertelt Jansen. ‘In de Engelstalige literatuur spreken we van math anxiety, en daarmee bedoelen we zowel reken- als wiskundeangst. De verschillen zitten vooral in de onderwijsfase: op de basisschool spreek je eerder van rekenangst, terwijl in het voortgezet onderwijs wiskundeangst vaker voorkomt. Maar inhoudelijk komt het op hetzelfde neer: het nare gevoel, de spanning tijdens het rekenen zelf en de gedachten die erbij komen kijken.’

Belemmering

Wat Jansen intrigeert, is dat rekenangst leerlingen belemmert in het benutten van hun volledige potentieel. ‘Je kunt best aanleg hebben voor rekenen of wiskunde, maar als angst de overhand krijgt, lukt het niet om die aanleg tot uiting te brengen. Dat is niet alleen frustrerend, maar het kan ook van invloed zijn op profielkeuzes en vervolgstudies,’ aldus Jansen.

Het bijzondere aan rekenangst, vindt Jansen, is dat het zich specifiek manifesteert in één vakgebied. ‘Waarom rekenen? Waarom niet taal of geschiedenis? Rekenangst is vaak zo hardnekkig, misschien omdat rekenen energie kost en het vaak draait om één goed antwoord. Elke opgave vraagt om inspanning van het werkgeheugen, terwijl je bij een vak als geschiedenis soms wegkomt met globale kennis. Die unieke combinatie maakt het vak gevoelig voor faalangst en vermijdingsgedrag.’

Vier componenten van angst

Jansen onderscheidt vier componenten van angst: het affectieve aspect (de spanning en het nare gevoel), het cognitieve aspect (gebrek aan zelfvertrouwen, negatieve overtuigingen), de fysiologische component (zoals buikpijn, zweethanden) en het gedrag (vermijding, afraffelen of juist overcompenseren). ‘Kinderen kunnen hun huiswerk uitstellen of er juist eindeloos lang aan werken zonder tot de kern te komen. Dat gedrag is vaak een uiting van dieperliggende angst.’

Wie zijn er kwetsbaar?

Rekenangst komt het vaakst voor aan het eind van de basisschool en het begin van de middelbare school. ‘Dat is het moment waarop de eisen toenemen en leerlingen nog geen keuzes kunnen maken: ze kunnen nog niet kiezen voor minder of geen wiskunde. Ook zien we dat meisjes vaker rekenangst rapporteren dan jongens. Maar dat kan ook liggen aan sociale factoren: het is voor meisjes wellicht acceptabeler om erover te praten. Of er daadwerkelijk meer angst is bij meisjes, weten we nog niet zeker.’

Faalangst en een fixed mindset

‘Er is veel overlap tussen faalangst en rekenangst,’ zegt Jansen, ‘maar het zijn niet dezelfde dingen. Rekenangst is specifieker. Sommige kinderen hebben rekenangst zonder dat ze verder faalangstig zijn. Uit ons eigen onderzoek blijkt dat rekenangst als aparte factor naar voren komt in statistische analyses.’

Ook een fixed mindset speelt een grote rol. ‘Kinderen die geloven dat je slim geboren wordt en dat oefenen weinig zin heeft, ontwikkelen makkelijker angst. Zeker bij rekenen, waar die opvattingen hardnekkig zijn. Ouders en leraren dragen dat soms onbewust over. Denk aan uitspraken als: ‘Ik was vroeger ook slecht in rekenen.’ Dat bevestigt het idee dat je er geen grip op hebt.’

Hoe herken je rekenangst?

Jansen noemt vermijding als een van de belangrijkste signalen. ‘Sommige kinderen proberen het rekenmoment te ontlopen, door zich ziek te melden, of door afleiding te zoeken. Andere kinderen doen juist overdreven hun best, maar blijven hangen in ondoelmatige strategieën. Een remedial teacher herkent dat vaak snel. Maar ook ouders kunnen signalen oppikken. Wanneer je kind zich structureel onwel voelt voor een rekentoets, is dat reden tot aandacht.’

Plezier overbrengen is cruciaal

Toch moeten ouders zich ook bewust zijn van hun eigen houding. ‘Het is belangrijk dat ouders beseffen hoe ze zelf denken over rekenen. Als je het zelf nooit leuk vond, straal je dat uit. Terwijl juist het plezier overbrengen cruciaal is. Er zijn veel manieren waarop rekenen ook thuis plezierig kan zijn. Maar ik raad aan om de fixed mindset niet te voeden door bijvoorbeeld aan een kind aan te geven dat ze beter zijn in andere dingen. Het meegeven van plezier in rekenen helpt!’

Angst tegengaan

Volgens Jansen is er nog te weinig onderzoek naar hoe je voorkomt dat rekenangst ontstaat. Wat maakt rekenen leuk? Wat maakt een leraar enthousiast? Wat werkt duurzaam in plaats van eenmalig? Daar liggen grote kansen voor de onderwijspraktijk. Juist door preventief in te zetten op positieve leerervaringen, motiverende didactiek en een veilig klasklimaat, kan het fundament worden gelegd voor rekenonderwijs waarin angst minder kans krijgt om te wortelen.

Dit artikel verscheen eerder in Balans Magazine 4-2025. Wil je ook ons magazine ontvangen? Word dan nu lid. Bekijk hier de voordelen.

Privacyvoorkeuren
Wanneer u onze website bezoekt, kan deze informatie opslaan via uw browser van specifieke services, meestal in de vorm van cookies. Hier kunt u uw privacyvoorkeuren wijzigen. Let op dat het blokkeren van sommige soorten cookies van invloed kan zijn op uw ervaring op onze website en de diensten die wij aanbieden.