Extra informatie bij artikel ‘Het prachtige beroep van onderwijzer’
TEKST JAN BRANDSMA
Vanaf 1969 is Jan Brandsma werkzaam in verschillende functies in het speciaal onderwijs. Zeventien jaar stond hij voor de klas en studeerde in de avonduren orthopedagogiek. Hij gaf les in de beroepsopleiding voor het speciaal onderwijs, het Seminarium voor Orthopedagogiek, waarvan hij in 1988 directeur werd.
Jan Brandsma vervulde tal van nevenfuncties en publiceerde regelmatig over de ontwikkelingen in het speciaal onderwijs. Hij is voorzitter van het Hermen J. Jacobsfonds, een fonds dat zich inzet voor de voortdurende kwaliteitsverbetering van het onderwijs aan leerlingen met een beperking. In 2019 werd hij vanwege zijn verdienste voor het speciaal onderwijs door Zijne Majesteit de Koning benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. In 2022 promoveerde hij op het proefschrift Strijdmakkers. Ontstaan, groei en professionalisering van het Buitengewoon Onderwijs in Nederland, ca. 1895-1950.
Halverwege Inclusief onderwijs
In 2014 werd de Wet passend onderwijs van kracht. We zijn nu halverwege, want het streven is om in 2035 het onderwijs inclusief te hebben. Alle kinderen kunnen dan in hun buurt naar school. Nog tien jaar te gaan.
De Wet passend onderwijs zou voor ieder kind moeten betekenen dat het onderwijs aansluit bij zijn behoeftes en competenties, maar… een kleine greep uit recente inspectieverslagen:
• 30% van de samenwerkingsverbanden is nog niet in orde, voornamelijk geen dekkend netwerk.
• 10% van de interventies in het kader van passend onderwijs heeft een wetenschappelijke grondslag.
• Uit een pilotstudie van de inspectie naar de effectiviteit van de interventies bleek dat bijna 40% vooruitgegaan was ten aanzien van rekenen, taal of gedrag. Eenzelfde percentage was achteruitgegaan.
Thuiszitters tellen
In het rapport Thuiszitters tellen, een ander licht op passend onderwijs uit 2024, een rapport van oudervereniging Balans, wordt de schatting gedaan dat er tenminste 70.000 thuiszitters zijn. Thuiszitters, leerplichtige kinderen die al langer dan drie maanden geen onderwijs hebben. Daarnaast krijgen bijna 300.000 kinderen geen volwaardig onderwijs. Zij krijgen niet het onderwijs dat bij hen past. Ondanks alle investeringen in het onderwijs lijken er steeds meer leerlingen af te haken in ons onderwijsbestel, aldus genoemd rapport. En de wachtlijsten voor het speciaal onderwijs nemen weer toe. Het aantal leerlingen dat naar het (v)so gaat, is weer gelijk aan tien jaar geleden. Dit staat haaks op het doel van passend onderwijs en de ambitie richting inclusief onderwijs.
Leerplichtwet
De cijfers over thuiszitters en het aantal leerlingen dat geen volwaardig onderwijs krijgt doet denken aan de situatie in het onderwijs aan het begin van de vorige eeuw. In 1901 werd de Leerplichtwet ingevoerd. Deze wet dwong ouders en voogden om kinderen gedurende zes jaar naar school te laten gaan. Het schoolverzuim bleef echter hardnekkig. Leerlingen met een beperking waren trouwens uitgezonderd van deze leerplicht. Voor hen was er geen passend onderwijs, want dat zou de staat, die al te maken had met een enorme stijging van de kosten voor het onderwijs, financieel nog zwaarder belasten. Het aantal kinderen dat volstrekt geen lager onderwijs genoot liep door dit alles in de tienduizenden. Ieder jaar gingen ongeveer 40.000 kinderen, evenveel jongens als meisjes, helemaal niet naar school.1 Het absolute schoolverzuim, tegenwoordig wel ‘thuiszitten’ genoemd, schommelde in de periode 1901-1920 rond de 5% van de kinderen in de lagere schoolleeftijd.
Buitengewoon onderwijs
Verreweg het grootste deel van de leerlingen met een beperking zat begin vorige eeuw echter op de gewone lagere school en ging daar ‘ten onder’, aldus het rapport van de Staatscommissie voor de reorganisatie van het Onderwijs uit 1910.2 Daarom had een groep bevlogen onderwijzers zich in 1903 verenigd om onderwijs te gaan realiseren voor leerlingen die in het klassikale onderwijs niet mee konden komen en in het onderwijs achter bleven. Voor hen moest het onderwijs ‘buitengewoon’ worden, dat wil zeggen aangepast aan de individuele leerling. De vereniging die zij oprichtten, de Vereeniging van Onderwijzers en Artsen, koos als doelstelling ‘de voortdurende verbetering van het onderwijs’ en streed voor een apart wettelijk kader om dit onderwijs mogelijk te maken. Een Koninklijk Besluit in 1920 legitimeerde de wettelijke status van het buitengewone onderwijs, nu speciaal (basis)onderwijs genoemd.
Hoge eisen
Aan leerkrachten die zich wilden richten op het onderwijs aan leerlingen die in het reguliere onderwijs niet mee konden komen, werden destijds hoge eisen gesteld. Als dit onderwijs opgedragen werd aan minder bekwame onderwijzers, zou dit onderwijs een ‘fiasco’ worden, concludeerde al een Commissie van deskundigen aan de vooravond van de invoering van de leerplicht.3 Begin vorige eeuw had men al scherp door dat bijna alles afhangt van de persoonlijkheid en het pedagogisch talent van de onderwijzer. Wie onderwijs gaf aan leerlingen met een beperking aanvaardde een missie, zo was de gedachte. Kenmerkend was onder meer onuitputtelijk geduld, onverstoorbare kalmte, uitgebreide vakkennis en een onvermoeide geest.4
Vervolgopleiding voor onderwijzers
Grondige vakkennis was dus noodzakelijk om passend onderwijs te geven, dat werd ruim honderd jaar geleden al belangrijk gevonden. Daarom werd ook gestreefd naar een gespecialiseerde vervolgopleiding, want de kennis van de opleiding tot leraar was niet voldoende. In 1929 ging de eerste door de overheid bekostigde vervolgopleiding van start, uiteindelijk werden dat de huidige masteropleidingen Special Educational Needs, maar verdere scholing was en bleef vrijblijvend. Daarom schreef de onderwijzer en pedagoog W.A. Van Liefland (1892-1962) in 1958 ten aanzien van de noodzakelijke vakbekwaamheid om onderwijs te geven aan leerlingen met een beperking: ‘Die bekwaamheid daalt blijkbaar op je neer bij besluit van gemeenteraad of schoolbestuur, tegelijk met de benoeming. We vinden dat heel gewoon, maar is het in de grond van de zaak niet waanzinnig en misdadig?’5
Passend onderwijs ontbreekt in het basiscurriculum
De opleidingssituatie is nu niet veel anders. Er worden geen extra eisen gesteld aan de leerkrachten, terwijl wel verwacht wordt dat ze bekwaam zijn om aan een gedifferentieerde groep leerlingen onderwijs te geven. Recentelijk, oktober 2025, verscheen de Inventarisatie van de curricula voltijdsroutes naar leraarschap primair onderwijs. Slechts vier van 47 voltijdsroutes dekken de drie bekwaamheidscategorieën (vakinhoudelijk, vakdidactisch en pedagogisch) volledig. Meer dan de helft van de onderwijseenheden besteedt aandacht aan overige bekwaamheden, zoals visievorming, zelfreflectie en onderzoekende houding.6 Passend onderwijs ontbreekt in het basiscurriculum van de opleiding tot leraar. Ook voelt de helft van de leraren in het primair onderwijs zich overbelast of zitten ze naar eigen zeggen ‘aan de grens’ bij het bieden van onderwijs aan leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften.7
Voortdurende scholing
Voortdurende scholing van het prachtige beroep van onderwijzer lijkt noodzakelijk om inclusie te realiseren. Een bekwaamheidsregister, zoals in de zorg een BIG-registratie geldt, lijkt voor het onderwijs ook noodzakelijk. Leerlingen, leraren, ouders en besturen kunnen er dan op vertrouwen dat de basis in orde is. De allereerste hoofdinspecteur van het speciaal onderwijs, de arts A. van Voorthuijsen (1871-1952), benadrukte al dat een onderwijzer, die met kinderen met een specifieke onderwijsbehoefte werkt, vergelijkenderwijs moet functioneren als een arts: observeren, diagnosticeren en vervolgens handelen. Het onderwijs moest afgestemd worden op het individuele kind. En dat uitgangspunt vereist voortdurende scholing, net zoals je bij de arts kan verwachten dat hij zijn vakkennis op peil houdt.
Extra ondersteuning vereist specifieke deskundigheid
Een toenemend aantal leerlingen wordt nu verwezen naar speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs. Maar naast deze vorm van speciaal onderwijs krijgt in het reguliere onderwijs inmiddels zo’n tien procent van alle leerlingen, gemiddeld vijftien leerlingen per school, extra ondersteuning in het kader van de Wet passend onderwijs. De meeste hebben een leerachterstand, relatief vaak in combinatie met gedragsproblemen.8 Hier ligt een belangrijke taak voor de leerkracht, want extra ondersteuning van de leerkracht vereist specifieke deskundigheid. De inmiddels sterk gegroeide wetenschappelijke kennis over de achtergrond van een leerachterstand en/of gedragsprobleem wordt tegenwoordig vanuit een aantal professies de school ingebracht. Dat gebeurt via schoolbegeleiders zoals orthopedagogen en psychologen met als doel om in overleg met ouders en leerkracht een realiseerbaar plan op te zetten voor een leerling met extra ondersteuning. De huidige wetgeving veronderstelt dus impliciet een hoge mate van deskundigheid van de leerkracht, die deze kennis immers moet verwerken in de benadering van de betreffende leerling.9 Het is juist daarom opmerkelijk dat in de huidige rapporten en debatten deze noodzakelijke deskundigheid van leerkrachten niet of nauwelijks aan de orde is. Daarom lijkt een transparant bekwaamheidsregister een noodzaak. Dat geeft vertrouwen.
Een blijvende zorg
Ons onderwijs moet inclusief worden, een systeem dat recht doet aan verschillen. Verschillen die er nu eenmaal zijn. De inspectie van het onderwijs geeft aan dat nu 107.000 leerlingen een vorm van gespecialiseerd onderwijs volgen. Daarnaast heeft inmiddels, naar recente schatting van de inspectie, tien procent van de leerlingen in het regulier basis- en voortgezet onderwijs een extra ondersteuningsbehoefte, dat zijn dan ruim 136.000 leerlingen in het basisonderwijs en ruim 75.000 leerlingen in het voortgezet onderwijs.10 Deze cijfers weerspiegelen de enorme vraag naar vakbekwame leerkrachten.
De weg naar inclusief onderwijs dreigt nu een fiasco te worden. Dat mogen wij als rijke samenleving niet laten gebeuren. De voortdurende verbetering van het onderwijs is nog steeds een blijvende zorg.
Noten
- Onderwijsverslagen (1901-1902) 281; (1904-1905) 307; (1907-1908) 27; (1910-1911) 19; (1913-1914) 21; (1916-1917) 23; (1919-1920) 21. ↩
- Rapport van de Staatscommissie (1910) Tweede Deel, 59. ↩
- Rapport der Commissie (1901) 13. ↩
- Schreuder, 1902, 78. ↩
- Van Liefland, 1959, 144. ↩
- Bijlsma en Bosman, 2025, 33. ↩
- Balans, 2024, 6. ↩
- Inspectie van het Onderwijs (2020a) 6-8. ↩
- De inspectie van het Onderwijs constateerde dat in veel gevallen van extra ondersteuning in het basisonderwijs niet was vast te stellen of de extra begeleiding en ondersteuning leidden tot de verwachte ontwikkeling van kinderen. Inspectie van het Onderwijs (2020a) 32-34. ↩
- Inspectie van het Onderwijs. De Staat van het Onderwijs 2024, 80. ↩
Bronnen
- Balans (2024). Thuiszitters tellen 2024, een ander licht op passend onderwijs.
- Brandsma, J.G. (2022). Ontstaan, groei en professionalisering van het Buitengewoon Onderwijs in Nederland, ca. 1895-1950. Rijksuniversiteit Groningen.
- Brandsma, J. (2023). Fiasco passend onderwijs dreigt. Didactief, 53, 48-49.
- Brandsma, J. (2023). Passend onderwijs, een fiasco. Didactief online, 04-04-2023.
- Bijlsma, H.J.E. en Bosman, A.M.T. (2025). Inventarisatie curricula voltijdsroutes naar leraarschap primair onderwijs. Radboud Universiteit en Inspectie van het Onderwijs.
- Inspectie van het Onderwijs (rapporten 1920a, 1920b, 1921, 2023, 2024, 2025).
- Liefland, W.A. van (1958). Van voortgezette vakstudie tot opleiding, Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs en Orthopedagogiek, 38, 141-151.
- OCW in cijfers (2025). Thema: Passend onderwijs en gespecialiseerd onderwijs. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
- Rapport der Commissie aangewezen door bestuur van de Vereeniging Volksonderwijs te ’s-Gravenhage (1901).
- Rapport van de Staatscommissie voor de Reorganisatie van het Onderwijs, ingesteld bij Koninklijk Besluit van 21 Maart 1903, No. 49. (1910). ’s-Gravenhage: Belinfante.
- Schreuder, A.J. (1905a). Achterlijke kinderen. In C.F.A. Zernike, Paedagogisch Woordenboek, 35-86. Groningen: J.B. Wolters.
- Schreuder, A.J. (1905b). Eerste Jaarverslag, uitgebracht op de Vergadering van den 15en April 1905 gehouden te Rotterdam. In Vereeniging van Onderwijzers en Artsen werkzaam aan Inrichtingen voor onderwijs aan Achterlijke en Zenuwzwakke kinderen. Uitgave: Vereeniging van Onderwijzers en Artsen.
- Voorthuijsen, A. van (1927). De speciale opleiding. Tijdschrift voor Buitengewoon Onderwijs, 8, 125-128.

