Breinvriendelijk onderwijs kan en helpt elk kind
TEKST RENÉ LAMERS
Met het boek Als alle breinen leren, wil Saskia Schepers ouders informeren, versterken en praktische handvatten bieden om het gesprek met school aan te gaan. Veel scholen willen wel anders, maar weten soms niet hoe. Dit boek biedt voorbeelden, theorie, checklists en tips om samen verder te komen.
Waarom heb je dit boek geschreven?
‘Ik ben nooit van plan geweest over onderwijs te schrijven. Mijn eerdere boek, Als alle breinen werken, ging over de werkvloer – mijn eigen vakgebied. Als ik daarover een lezing gaf, kreeg ik na afloop altijd vragen van ouders. Die gingen eerst over henzelf, maar dan over hun kind. Als je dat iedere keer hoort, raakt dat je en zie je een rode draad. ‘Iedereen zou eigenlijk jouw boek moeten lezen,’ zei iemand. Oké, maar dan moet ik dus ook dáárover gaan schrijven.’
Hoe raakt het onderwerp divergent denken jouw eigen leven?
‘Ik liep niet vast in het onderwijs, maar in werk. Ik keek anders naar dingen, had moeite met sociale situaties, zoals een borrel. Ik dacht in vergaderingen vaak: Wat een trage bedoening. Tot iemand zei: ‘Jij bent zó creatief.’ Dat was de eerste keer dat mijn andere manier van denken werd gewaardeerd. Neurodiversiteit is nog vaak een blinde vlek in organisaties, terwijl het zoveel waarde kan hebben.’
Wat wil je met je boek bereiken?
‘Ik hoop dat ouders zich sterker voelen om op een open, neutrale manier in gesprek te gaan met de school. Veel ouders voelen zich niet gehoord of serieus genomen. Tegelijkertijd hoop ik dat leraren en schoolleiders geïnspireerd raken. Dat ze weer oog krijgen voor het kind zélf; los van regels en protocollen. Want uiteindelijk zit je toch in het onderwijs om kinderen verder te helpen en te ontwikkelen, niet alleen om kennis over te dragen.’
Er zijn al zoveel boeken over onderwijs, waarom zou jouw boek wél werken?
‘Het is toegankelijk geschreven, zonder abstracte taal. Ik ben geen wetenschapper maar een verhalenverteller. Het boek biedt praktische handvatten, met handleidingen en checklists, zodat je er concreet iets mee kunt. En er staan veel voorbeelden in die in het echt werken. Ik pretendeer niet het systeem te veranderen, dat is te groot. Maar als een leraar een klein beetje ruimte kan maken, voor één leerling, dan is dat al winst. Je kunt een hoofdstuk uit het boek laten lezen, maar ook een filmpje laten kijken of een opdracht anders vormgeven. Je kunt vragen om een verslag, maar ook een podcast laten maken. Dat is al inclusiever onderwijs.’
Sommige ouders raken juist gefrustreerd: ‘Leuk verhaal, maar bij ons lukt dat niet.’
‘Dat herken ik. Je hoort verhalen als: Waarom lukt het bij die ene leerling wel, maar bij onze dochter niet? Toch zie ik beweging. Je kunt cynisch worden, maar je kunt er ook voor kiezen om de voorbeelden te delen die wél werken. Juist om ouders en mensen in het onderwijs te inspireren.’
Wat als een docent niet de ruimte of expertise heeft voor inclusief onderwijs?
‘Dat is begrijpelijk. Niet iedereen heeft dezelfde achtergrond of ervaring. Wat helpt, is als er in teams ook ruimte is voor neurodivergente collega’s die bepaalde signalen herkennen. In landen als Estland of Finland worden leraren anders opgeleid, met meer autonomie en inhoudelijke bagage. En ja, uitzonderlijke situaties – zoals bij zeer hoogbegaafde kinderen – zijn lastig. Als je dat zelf niet kent, is het moeilijk je daar een voorstelling van te maken. Daar mogen we best milder en nieuwsgieriger naar kijken.’
Waarom lijkt er nu meer aandacht voor divergent denken dan vroeger?
‘Dat komt niet doordat het toen minder voorkwam. Maar zoals onderzoeker Bert Wienen zegt: De psychologie heeft de pedagogiek verdrongen in het klaslokaal. De ruimte voor verschil is kleiner geworden. In de documentaire Het kind en het badwater zie je hoe jonge kinderen al vroeg als ‘achterlopend’ worden bestempeld. Vroeger was de norm breder. Nu labelen we sneller. Ik denk dat ook de feminisering van het onderwijs meespeelt: vrouwen worden vaker geconfronteerd met druk gedrag in de klas, en reageren daar logischerwijs op. Dat zegt niets negatiefs over hen, maar wél iets over hoe eenzijdig de teams soms samengesteld zijn.’
Heb je tips voor ouders?
‘Zeker. Vertel de leraar over wie je kind thuis is, zodat er een vollediger beeld ontstaat. Natuurlijk raak je gestrest als het contact met school stroef loopt, maar als je voorbeelden kunt laten zien van wat werkt, voer je een ander, meer gelijkwaardig gesprek. En wijs ook anderen op het boek – een leraar, iemand uit de jeugdzorg – zodat meer mensen geïnspireerd raken om samen te zoeken naar wat wél mogelijk is.’
Lees ook een uitgebreide beschrijving van het boek Als alle breinen leren. Lees het thuiszittersrapport Thuiszitters tellen van Balans en lees het Balansdossier onderwijs.
Dit artikel verscheen eerder in Balans Magazine 3-2025. Wil je ook ons magazine ontvangen? Word dan nu lid. Bekijk hier de voordelen.

